Preek van de week

Hieronder treft u regelmatig een preek van een lid van het pastoraal team. Preken van voorgaande zondagen zijn te vinden in het archief. Wilt u de preek van de week volgens via RSS? Gebruik dan deze RSS link.

Preek 19e zondag in jaar A over 1 Kon. 19, 9-13 en Mat. 14, 22-33: wie ben ik?

“Wie ben ik?”. Dit was in de jaren negentig de naam van een spelletje op de televisie. Panelleden drukten op een knop en er verscheen dan een bordje met daarop de naam van een bekende Nederlander. Iedereen kon dat zien, behalve het panellid zelf. De bedoeling was dat het panellid erachter moest komen wie hij of zij was. De vraag “Wie ben ik?” wil ik in deze preek persoonlijk maken: wie bent u? Wie bent u ten diepste? Heeft u uzelf deze vraag al eens gesteld? De lezingen van vandaag helpen ons hierop een antwoord te vinden aan de hand van twee vragen: wat aanbid je en wat vrees je?

Wat aanbid je? Wie je ten diepste bent kun je beantwoorden aan de hand van de vraag: wat aanbid je? Daarvoor gaan we naar de eerste lezing uit het eerste boek Koningen. Daarin horen we over de profeet Elia. De naam Elia (Hebreeuws: Eli-Jahoe) betekent letterlijk: Jahweh (JHWH) is God. Zijn naam heeft alles te maken met wat Elia ten diepste aanbidt: Jahweh. Jahweh is zijn God. Je kunt jezelf de vraag stellen: wat is mijn god? Met god bedoel ik: wat is de meest ultieme waarde in je leven? Wat gaat in jouw leven boven alles? Waar gaat het jou ten diepste om? Als je deze vraag in alle eerlijkheid en oprechtheid kunt beantwoorden, dan ben je al een heel eind op weg te weten wie je werkelijk bent. Er zijn mensen die zeggen: mijn familie en mijn kinderen zijn het belangrijkste wat er voor mij is, als zij als een god voor mij. Anderen zeggen weer: geld is mijn god, geld is het allerbelangrijkste dat er voor mij is, meer nog dan familie en vrienden. Weer anderen zeggen: seks is het allerbelangrijkste, ik kan niet zonder. En zo kun je doorgaan. Op basis van wat je aanbidt, op basis wat voor jouw het hoogste goed is, op basis van wat jouw god is, kun je zeggen wie je ten diepste en in wezen bent.

Zo is Elia een Godmens. God is voor hem dé leidraad in zijn leven. Als je dat van hem weet, kun je goed begrijpen wat hij zegt en doet. Als zodanig durft Elia de machtige koning Achab terecht te wijzen. Achab aanbidt niet de ware God, maar een valse. Achab laat zich dit niet gezeggen en Elia slaat op de vlucht. Na een lange tocht door de woestijn komt hij bij een grot op de berg Sinaï, dezelfde berg waarop Mozes de Wet ontving. Elia heeft van een engel gehoord dat God hem daar zal bezoeken. Wat volgt is een prachtige beschrijving van natuurkrachten: een storm, een aardbeving en een brand. Wat voor krachten daarin zitten zien we dagelijks in het nieuws. Denk aan de beelden van tornado’s, aardbevingen en grote bosbranden. Niets is dan nog veilig. Hoe indrukwekkend deze krachten ook zijn, in geen daarvan bemerkt Elia de aanwezigheid van God. Dat is een sneer naar de vele mythologische goden van die tijd: de god van de wind, de god van de aarde, de god van het vuur, enzovoort. Al deze goden zijn valse goden. Je kunt dit ook geestelijk verstaan: alles wat voor mij sterk en machtig is, alles wat voor mij als een god is, brengt je uiteindelijk geen heil. Denk aan geld, macht, lust, status, aanzien, enzovoort. Waarin toont de ware God zich aan Elia? In een zachte bries! Daarom geven mensen die een contemplatief leven leiden alles op, zelfs hun familie, zoals we kunnen zien bij de zusters in Dordrecht. Zij willen zijn als Elia: pure Godmensen, die God niet vinden in het uiterlijk vertoon van deze wereld, maar in het kleine en onbeduidende, zoals een zachte bries. Wie je bent wordt voor een groot deel duidelijk als je oprecht de vraag beantwoordt: wat aanbid ik? Zijn dat de stormen of de vuren van deze wereld of het aardse dat je leven doet beven? Of is dat een briesje?

Nu die andere vraag: wat vrees je? Wie je bent kun je ook achterhalen door de vraag: waarvoor ben ik ten diepste bang? Ik heb het dan niet over spinnen e.d., maar over je diepste vrees. Dit wordt behandeld in het Evangelie van vandaag, waarin Jezus over het water loopt naar de boot met zijn leerlingen. De leerlingen bevinden zich in een storm en ze worden heen en weer geschud. En dan, in alle rust, als een zachte bries, komt Jezus over het water naar hen toe. We horen hierin een echo van het verhaal van Elia op de berg Sinaï. Over water lopen is niet bedoeld als een natuurkundig trucje. Grote wateren (meren en zeeën) staan in de Bijbel voor dood en verderf. Heel bekend is het verhaal van de zondvloed. Dood en verderf hebben geen grip op Jezus: Hij loopt er overheen, Hij vertrapt het, Hij is er niet bang voor! De vraag is: geldt dat ook voor Petrus? Daarom vraagt Jezus aan Petrus om uit de boot te stappen en ook over het water te lopen. In eerste instantie lukt Petrus dat, zolang hij zijn ogen op Jezus gericht houdt. Zodra hij zijn blik afwendt, zinkt hij weg. Dan komen zijn angsten weer boven en verdrinkt hij.

Hoe zit dat bij ons? Kunnen wij – geestelijk verstaan! – uit de boot stappen en onze voeten zetten op zaken waarvoor we bang zijn? Als je jezelf identificeert met wat je vreest, dan verkramp je en zal je nooit, in geestelijke zin, over water kunnen lopen. Dan wordt je opgeslurpt door wat je vreest. Angst is niet voor niets een slechte raadgever. Waar je bang voor bent, wat je ten diepste vreest, bepaalt voor een groot deel wie je bent en hoe je in het leven staat. Datzelfde geldt ook voor wat je aanbidt. Als we onze focus gericht houden op God in Jezus, dan staan we sterk en weten wij ons veilig en bevrijdt. Moge God in de kracht van zijn Geest ons daarin steeds nabij zijn. Amen.

Diaken Franck Baggen

scroll back to top