Preek 22e zondag in jaar A. Mat. 16, 21-27. De kracht én zwakte van Petrus.

Vandaag een prachtig stukje Evangelie. Dat heeft grotendeels te maken met Petrus, mijn favoriete apostel. Petrus worstelt gedurende het hele Evangelie met Jezus als de Messias. Het ene moment omarmt hij Hem als de ware Messias, het andere moment is hij het niet zeker. Dat culmineert in zijn verloochening. Velen keuren die verloochening af, maar dat vind ik erg makkelijk. Verloochenen wij niet allemaal op gezette tijden de Christus in ons doen en laten, in ons spreken en zwijgen? De relatie van Petrus en Jezus heeft dan ook een zeer mooi melodramatisch slot, wanneer Jezus tot drie maal toe aan Petrus vraagt: heb je Me lief? Dat is een zeer confronterende vraag! Laatst vroeg mijn vrouw dat aan me: vind je me lief? Ik was een beetje uit het veld geslagen. “Natuurlijk vind ik je lief en nog wel meer dan dat!”, zei ik. Ik was al uit het veld geslagen toen mijn vrouw dit vroeg, laat staan als Jezus je deze vraag stelt. Petrus weet ervan!

Terug naar het Evangelie. Jezus heeft een paar verzen eerder de vraag gesteld: “Wie zeggen de mensen dat Ik ben?” Petrus antwoordt: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God”. De sfeer draait 180 graden wanneer Jezus zijn lijden voorspelt: de Zoon van de levende God zal sterven aan het kruis! Hiermee legt Jezus uit wat het betekent om de Zoon van God te zijn: dat betekent namelijk zijn dood aan het kruis. God is mens geworden tot in de totale Godverlatenheid. God dringt diep de zonde binnen, om van binnenuit de wereld te verlossen. Tegen het idee van een lijdende Messias verzet Petrus zich fel. Jezus wordt daarop boos en snauwt: “ga weg, satan, terug!”. Petrus, die kort tevoren nog door Jezus de Rots werd genoemd waarop Hij zijn Kerk zal bouwen, diezelfde Rots is nu opeens de satan. Hoe kan dat zo opeens? Wel, dat heeft alles te maken met Petrus die het kruis niet begrijpt en er, menselijkerwijs, met een grote boog omheen loopt. Doen we dat niet het liefst allemaal? Niets is zo confronterend als het kruis. Hier wordt ons het Evangelie in een notendop getoond: zij die het kruis niet verstaan, zij die het kruis het liefst willen vermijden, verstaan Jezus als Messias niet. 

Het beeld dat Petrus heeft van de Messias is het beeld van een triomferende Messias, van een God die met machtige hand ingrijpt en orde op zaken stelt. Dat is de God die vele mensen op vandaag hopen te ontmoeten: de God die ingrijpt, die met veel vertoon van macht afrekent met alle terreur, corruptie, onderdrukking, hongersnood en oorlog in de wereld. Als God zich zó openbaart, dan wil men in Hem geloven. Wat doet de Kerk? Die toont het kruis met een sterk vermagerde Man die het hoofd laat hangen. Dát is de God die overwint! Yeah, right, zeggen de mensen dan, het is goed met je, tot ziens!

We zijn allemaal een Petrus. Het ene moment zijn we als een rots: ons geloof staat stevig en wankelt niet, we belijden uit volle borst: Jezus is God en Heer. Dan kunnen we spreekwoordelijk over het water lopen, zoals we een paar weken geleden hoorden in het Evangelie. Het andere moment zijn we als gelatinepudding, we wankelen en we kunnen dat hele Jezusgebeuren maar moeilijk vatten. Dan zinken we weg in het water. Dat alles hangt af van de mate waarin we het kruis van Jezus kunnen omarmen, in hoeverre we Gods liefde kunnen begrijpen als een zichzelf volledig wegschenkende liefde. 

Ook in de Kerk kunnen we Petrus herkennen. Neem bijvoorbeeld de relatie tussen de Kerk en het Jodendom. We weten maar al te goed dat de Kerk, de eeuwen door, zeer antisemitisch kon zijn. In naam van de Kerk (en daarmee van Christus) zijn vele Joden vervolgd, verjaagd, vermoord en in getto’s gestopt. Van de augustijner monnik Maarten Luther, wiens hervormingswerk dit jaar wordt herdacht, is bekend dat hij een fel antisemiet was. Dat had hij niet van vreemden, zal ik maar zeggen. Met deze anti-Joodse geschiedenis in gedachten hoor je Jezus al zeggen: “ga weg, satan, terug!”. De Kerk heeft daarvoor, bij monde van meerdere pausen, excuses aangeboden. 

Een ander bekend voorbeeld is de affaire met Galileo, de 16de-eeuwse astronoom die zei dat de zon het centrum van ons planetenstelsel is en niet de aarde. Hij heeft dat onder dwang van de Kerk moeten terugnemen. De Kerk legde hem om die reden zelfs huisarrest op. Deze affaire heeft eeuwenlang een schaduw geworpen over de relatie tussen Kerk, geloof en wetenschap. Ook hier horen we Jezus zeggen: “ga weg, satan, terug!”. Paus Johannes Paulus II heeft deze fout erkend en heeft Galileo in ere hersteld. We horen in al deze momenten van de Kerk een echo van de zwakheid van Petrus.

Petrus is de Rots waarop Jezus zijn Kerk heeft gebouwd. En een Rots is het gebleken, want de Kerk houdt stand tot de dag van vandaag! Maar de geschiedenis toont ook de zwakheid van de Kerk, vergelijkbaar met de zwakheid van Petrus. De Kerk heeft dat ook steeds erkend. Daarom zegt Paulus, doelend op de Kerk: “We dragen een schat in aarden potten” (2 Kor. 4, 7). We dragen de Christus in onze zwakke handen. Alleen wanneer de Kerk in staat is om zijn eigen zwakheid en zondigheid onder ogen te zien, hoewel het tegelijkertijd is gegrondvest op de Rots van Petrus, alleen dan kunnen we zeggen: de Kerk is vitaal en gezond. Alleen dan kunnen wij met een oprecht hart de vraag van Jezus beantwoorden: heb je Me lief? Moge wij allen in de kracht van de Heilige Geest kunnen antwoorden: Heer, Gij kent mij, Gij weet dat ik U liefheb! Amen.

Diaken Franck Baggen

scroll back to top