MENU
< TERUG

ACTUEEL

Preek 17e zondag in jaar B: Joh. 6, 1-15. De Jezus van de eucharistie.

25 juli 2021

In elk B-jaar of Marcus-jaar van ons lezingenrooster maken we een uitstap naar het Johannes-evangelie. Dat heeft te maken met het feit dat Marcus een kort evangelie is en zodoende niet het hele jaar kan dekken. Dit ‘tekort’ wordt aangevuld met hoofdstuk 6 uit het Johannes-evangelie. Waarom hoofdstuk 6? Omdat dit hoofdstuk handelt over de eucharistie. Jezus spreekt over het eten en drinken van zijn Lichaam en Bloed. We krijgen de gelegenheid om na te denken over een aantal kenmerken van de eucharistie.

Het eerste dat Johannes meldt is dat Jezus een grote menigte om zich heen verzamelt. Als we eucharistie vieren doen we precies hetzelfde: we komen samen rond de eucharistische Jezus. Elk sacrament, ook de eucharistie, veronderstelt dat je er fysiek bij aanwezig bent. Met de corona-crisis hebben we ervaren dat dit niet kon. We moesten uitwijken naar livestreams en de mis op televisie. Dat heeft in een behoefte voorzien en doet dat nog steeds. Echter, nu we weer kunnen samenkomen in de kerk zou ik willen zeggen: doe dat ook, voor zover u dat kunt. We verzamelen ons, net als de menigte uit het evangelie, rond Jezus in de eucharistie, heel fysiek, heel concreet.

Vervolgens meldt Johannes dat Jezus de berg op gaat. Een hoger gelegen plek of berg is in de Bijbel dé plek van Godsontmoeting. Denk aan Abraham die zijn zoon offert op de berg Moria, aan Mozes die de Wet ontvangt op de berg Sinaï, aan de profeet Elia die geconfronteerd wordt met de priesters van Baäl op de berg Karmel en aan Jesaja die in een visioen ziet dat God alle volken verzamelt op de berg Sion. Denk ook aan de Bergrede van Jezus – de naam zegt het al – en aan zijn verheerlijking op de berg Tabor. Allemaal bergen. Bergen symboliseren wat de religieuze mens steeds weer doet: we zoeken het goddelijke altijd hogerop, naar wat ons overstijgt. We zoeken God nooit onder onze voeten, maar in den hoge. De mens probeert zo hoog te gaan als hij kan op aarde, en dat zijn bergen. Om die reden staat het hoofdaltaar in de kerk altijd op een verhoging. Om tot het altaar te komen, moet je altijd een paar treden op. Het idee is hetzelfde: het altaar is de plek van Godsontmoeting, zoals de bergen dat zijn in de Bijbel.

Eenmaal op de berg, zette Jezus zich daar met zijn leerlingen neer. De leerlingen zaten letterlijk aan zijn voeten. Zo kon Jezus vanaf een hoger punt onderricht geven. Dat principe is heel lang ook in scholen en universiteiten toegepast, waarbij de onderwijzer en de professor op een verhoging zaten. We hanteren dat principe ook in de kerk, waarbij de lector altijd op een verhoging staat (de ambo, wat letterlijk ‘verhoging’ betekent). De kerkgangers zitten op hun plaats, als leerlingen aan de voeten van Jezus. Je ziet dat duidelijk in protestantse kerken, waar de dominee op de kansel staat. Kansels had je ook in katholieke kerken, maar door allerlei liturgische vernieuwingen zijn de meeste kansels verdwenen. Dat vind ik persoonlijk wel jammer, want het staat in een lange Bijbelse traditie, die terug gaat tot op Jezus.

Mooi detail is dat Johannes meldt dat het kort voor Pasen is (v. 4). Dat is natuurlijk het joodse Pasen, het feest van de bevrijding uit Egypte. Met dit detail legt Johannes de link naar de eucharistie. Immers, elke eucharistieviering is een Paasfeest, we vieren onze bevrijding van de slavernij van de zonde door de dood en verrijzenis van Jezus. Jezus ziet het volk dat juist hiernaar hongert. Het is niet de leegte van de maag die hen tot Jezus brengt, maar vooral de leegte van de ziel. Dat durven erkennen is tot erkenning komen wie Jezus ten diepste is. Daarom ook dat Hij maaltijd viert. Die maaltijd is eten voor de ziel. Immers, de mens leeft niet van brood alleen, maar van alles wat komt uit de mond van God (Mat. 4, 4). Om die reden lezen we altijd eerst uit de Bijbel en gaan dan aan tafel. De diensten van Woord en Tafel vormen één geheel. Bij Jezus gaan beide in één vloeiende beweging in elkaar over. Het Woord en het Brood appelleren aan ons als ziel én lichaam. God heeft zorg voor ons naar heel ons wezen.

Interessant detail, tot slot, is dat Johannes vermeldt dat Jezus, nadat iedereen gegeten heeft, opdracht geeft om alle overgebleven resten op te halen. Niets daarvan mag verloren gaan. Er zijn namelijk altijd mensen die de maaltijd gemist hebben. Zij worden niet vergeten! Daarom bewaren we alle hosties die na de mis overblijven in het tabernakel en kunnen we er nu van eten tijdens de communieviering. Zo is de Heer ook hier aanwezig, ook al vieren we geen eucharistie. Wat Hij gezegend heeft, blijft gezegend. Hij denkt aan ons en laat niemand verloren gaan. Moge dat een grote troost zijn, want als we een keer écht honger krijgen, en dan bedoel ik dat we de leegte van onze ziel ervaren, dan mogen we weten: Hij is er om Zich te geven. Wie van zijn Brood eet, zal in eeuwigheid geen honger krijgen (Joh. 6, 58). Door diezelfde Christus, onze Heer. Amen.

Diaken Franck Baggen

Preek 24e zondag. Jac. 2, 14-18. Geloof zonder daden is dood.
12 september 2021
Preek 23e zondag. Marc. 7, 31-37. Geestelijk horen en spreken.
5 september 2021
Preek 21e zondag. Joz. 24, 1-17: “Wij dienen de Heer”
22 augustus 2021
Preek hoogfeest Maria Tenhemelopneming. Over de waardigheid van de mens.
15 augustus 2021
Preek 19e zondag. 1 Kon. 19, 4-8. Elia en het brood van de engel.
8 augustus 2021
Preek 18e zondag. Ex. 16, 2-15. De vleespotten van Egypte.
1 augustus 2021
laad meer artikelen artikelen aan het laden geen nieuwe artikelen