MENU
< TERUG

ACTUEEL

Preek 21e zondag in jaar C. Luc. 13, 22-30. Hoe weinig zullen gered worden?

20 augustus 2022

De vraag die vandaag in het evangelie klinkt – “Zijn het er weinig die gered worden?” – is een vraag die velen bezighoudt. Vooral aan het eind van het leven komt die vraag naar voren. Is er een plek voor mij in de hemel? Verdwijn ik niet in een zwart gat? Deze vraag heeft christenen de eeuwen door bezig gehouden. Onder protestanten heeft het geleid tot scheuringen. Hiermee omgaan vraagt dus om zorgvuldigheid. Belangrijk is daarbij het kennen van de context waarin de vraag wordt gesteld. En deze context is specifiek joods.

De vraag wordt gesteld in een strikt joods denkkader. Het is een joodse man die aan een joodse geestelijke (Jezus, die als rabbi gezien wordt) vraagt hoe weinig er gered zullen worden. Waarom vraagt deze man ‘hoe weinig’ er gered zullen worden en niet ‘hoeveel’? In de vraag zit dus een veronderstelling, namelijk dat er weinig gered worden. De vraag is alleen: hoe weinig dan? De vragensteller is een joodse man, lid van het joodse volk. Dat zijn er al weinig. Mogelijk behoort hij binnen dit volk tot een kleine, orthodoxe groepering. Dat zijn er nog minder. Hij denkt dus vooral aan zichzelf en zijn eigen kleine joodse kring. Met andere woorden: de ‘hoe velen’ die niet gered zullen worden is de overgrote meerderheid die God niet als zijn uitverkoren volk ziet en die God dus ook niet de Wet van Mozes heeft gegeven. Deze Wet, en het strikt naleven ervan, is voor een jood de enige weg tot redding. Zij die de Wet niet kennen zijn dus bij voorbaat van redding verstoken.

De vragensteller denkt dus in termen van exclusiviteit: wij, dat kleine uitverkoren volk, die de Wet kennen, zijn de enige die kans maken om gered te worden. Alle overige zijn dus bij voorbaat verdoemd. Interessant is wat Jezus daarop zegt: “Als eenmaal de huisvader is opgestaan en de deur gesloten heeft en als gij dan buiten op de deur begint te kloppen en begint te roepen ‘Heer, doe open’ zal Hij u antwoorden: Ik weet niet waar gij vandaan komt.” Een verontrustend antwoord, vindt u niet? Wat Jezus hier tegen zijn mede-jood, zijn mede-volksgenoot zegt is dat lid-zijn van het uitverkoren volk en leven volgens de Wet van Mozes nog geen garanties zijn dat je gered zult worden. Met andere woorden: je religieuze en etnische komaf staan niet garant voor vrije toegang tot de hemel. Ook Jezus’ volksgenoten, mede-joden, moeten zich inspannen om door de nauwe poort te komen.

Die nauwe poort brengt me bij het tweede punt. Jezus wordt aangesproken als Hij onderweg is naar Jeruzalem. Naar Jeruzalem betekent: naar Golgotha, naar het kruis. Hij is onderweg naar Goede Vrijdag. Jezus zegt: “Spant u tot het uiterste in om door de nauwe poort binnen te komen.” Wat is die nauwe poort? Het antwoord daarop ligt dus in de context van de vraag: Jezus is op weg naar Jeruzalem, en dus op weg naar het kruis. De nauwe poort is het kruis. Jezus zegt verderop: “Als iemand zijn kruis niet draagt en Mij volgt, kan hij mijn leerling niet zijn” (Luc. 14, 27; evangelie over twee weken). Door de nauwe poort gaan betekent dus leerling-zijn van Jezus. Dat de vragensteller joods is, wetsgetrouw lid van het Uitverkoren Volk, is geen garantie voor hem. Als hij denkt dat zijn religieuze en etnische status hem zal redden, dan moet hij nog eens goed nadenken. Daarom zegt Jezus: “Zij zullen komen uit het oosten, westen, noorden en zuiden en zij zullen aanzitten in het koninkrijk Gods.” Hiermee bedoelt Jezus de niet-joden, de heidenen. Zij zullen eerder gered worden dan de joodse vragensteller, omdat zij met Jezus door de nauwe poort gaan. Gered worden heeft dus te maken met leerling-zijn van Jezus, met Hem volgen en je kruis durven opnemen.

Wat Jezus doet is dat Hij de vragensteller, en over diens schouder ook ieder van ons, waarschuwt voor vooringenomenheid en hoogmoed als het gaat om gered worden en in de hemel komen. Dat geldt niet alleen voor joden, maar ook voor ons als christenen. Het feit dat je gedoopt bent, wil nog niet zeggen dat daarmee de weg naar de hemel openligt, zo van ‘mijn hachje is gered, ik hoef verder niets meer te doen’. Nee, met je doop begint je weg van het leerling-zijn van Jezus. Het doopsel is daarvan het startschot. De kerkelijke traditie leert ons, waar het gaat om gered worden, dat we twee uitersten moeten proberen te mijden: hoogmoed en wanhoop. Gered worden kun je niet zomaar aannemen als vanzelfsprekend, zo van: 'mij kan niets meer gebeuren'. Evenmin moet je er niet over wanhopen, zo van: 'dat is voor mij onbereikbaar, God zal mij nooit een plek in de hemel geven'. Je wordt uitgenodigd de hoop niet op te geven, maar levend te houden. Je zal gered worden, maar dat vraagt wel inspanning om door de nauwe poort te gaan. Dat wil zeggen, leerling zijn én blijven van Jezus, beginnend met je doopsel en telkens weer bekrachtigd door de sacramenten, in bijzonder het sacrament van de eucharistie.

Moge God ons behoeden voor hoogmoed en vooringenomenheid. Moge Hij ons behoeden voor wanhoop en uitzichtloosheid. Moge God ons kracht, moed en geduld schenken om de weg van Jezus te blijven gaan. Dan zullen we met Hem door de nauwe poort gaan en gered worden. Daar zijn we immers toe geroepen. God zal u nooit overvragen, want zijn glorie is niets anders dan de levende mens. Door Christus, onze Heer. Amen.

Diaken Franck Baggen

Preek 2e zondag v/d Advent. Mat. 3, 1-12. Metanoia, het nieuwe denken.
4 december 2022
Preek 1e zondag v/d Advent. Mat. 24, 37-44. De drie komsten van de Heer.
27 november 2022
Preek hoogfeest Christus Koning. Terugblik op Lucas.
20 november 2022
Preek 33e zondag. Luc. 21, 5-19. Zie de Tempel prijken.
13 november 2022
Preek 32e zondag. Luc. 20, 27-38. Liefde gaat ons verstand te boven.
2 november 2022
Preek 31e zondag. Luc. 19, 1-10. De Zacheüs in jou.
28 oktober 2022
laad meer artikelen artikelen aan het laden geen nieuwe artikelen