MENU
< TERUG

ACTUEEL

Preek 30e zondag in het jaar A. Mat. 22, 34-40. Liefhebben wie God liefheeft.

25 oktober 2020

De oudste zus van mijn moeder en haar man, mijn tante en oom, waren een bijzonder stel. Zij verschilden van elkaar als dag en nacht. Mijn tante was een deftige dame, het haar altijd keurig geföhnd op de wijze van koningin Beatrix, mooie kleren, hoge hakken en altijd make-up. Hun huis was altijd tip-top, met mooie meubels, chique servies en een grote Hummel-verzameling (dat waren zeer geliefde porseleinen beeldjes van alledaagse taferelen). Haar man, mijn oom, was in alles het tegenovergestelde: een boerenzoon, enigszins lomp, groot en breed, en altijd vol sterke verhalen. Hij hield van paarden, liefst van die boeren trekpaarden. Mijn oom en tante waren zo’n stel waarvan je je afvraagt: wat zien zij toch in elkaar? Op het oog leefden mijn oom en tante in twee totaal verschillende werelden. En toch, ondanks de grote verschillen waren zij zeer gelukkig met elkaar. Het mooie was dat mijn oom is gaan houden van de spulletjes waar mijn tante van hield. En mijn tante is gaan houden van de paarden waar mijn oom zo van hield.

Mijn oom hield veel van zijn vrouw en omdat hij zo van haar hield, is hij ook gaan houden van de spulletjes waar zij zo van hield. Omgekeerd idem dito: uit liefde voor hem is zij gaan houden van de paarden waar haar man zo van hield. Ik moest aan mijn oom en tante denken toen ik het evangelie van vandaag las, het dubbelgebod van de liefde. Net als in het evangelie van vorige week proberen de Farizeeën Jezus in de val te lokken met een listige vraag: wat is het voornaamste gebod van de Wet? Jezus is alert en geeft niet één antwoord, maar twee. Het eerste en voornaamste gebod is dat je God liefhebt met geheel je hart, geheel je ziel en geheel je verstand. Het tweede gebod, daaraan gelijk, is je naaste liefhebben als jezelf. Jezus koppelt deze geboden aaneen als ware het één gebod.

God liefhebben met alles wat je hebt wordt vaak verkeerd begrepen, alsof je alles wat je hebt bij God moet inleveren om Hem te kunnen liefhebben. Ik heb vaker gezegd: God is in zichzelf volmaakt en heeft niets van ons nodig. God staat niet in een concurrerende relatie tot de mens, zoals de oude mythische goden. God is de Schepper van al wat bestaat. Je zou niet bestaan als God niet bestond. Omdat Hij volmaakt is en niets nodig heeft, had Hij de wereld niet hoeven scheppen. Toch heeft Hij dat gedaan, uit liefde. Je bestaat uit liefde, niet uit noodzaak. Liefde is, zoals ik vaker heb gezegd, het goede willen vóór de ander, omwille ván de ander, niet omwille van jezelf. Aan God geven betekent niet afstaan of inleveren, maar je in zijn liefdesdienst stellen, leven in en vanuit God die liefde is.

Dit is de brug naar het tweede deel van het dubbelgebod. God heeft niet alleen jou lief, maar ieder mens. Hij heeft immers héél de mensheid geschapen. Hier geldt het principe dat ik met het voorbeeld van mijn oom en tante wil uitleggen: als je God liefhebt, dan heb je óók lief wat God liefheeft. Hier raken we de kern van het dubbelgebod: God liefhebben is liefhebben wat Hij liefheeft. Om die reden koppelt Jezus de beide liefdesgeboden aan elkaar. God liefhebben met alles wat je hebt is slechts één kant van de medaille. God liefhebben is óók liefhebben waar God van houdt, en dat is je naaste als jezelf. Mijn oom, lomp en boers als hij was, associeerde je niet met fragiele en tutterige Hummel-beeldjes. Maar hij is ervan gaan houden, omdat hij zo van zijn vrouw hield. Mijn tante, mooi en opgemaakt als zij was, associeerde je niet met woeste paarden en modderige maneges. Maar zij is ervan gaan houden, omdat zij zo van haar man hield.

Nu volgt de uitdaging, want Jezus daagt ons voortdurend uit. Neem iemand in gedachten waar je een hekel aan hebt, iemand waar je met een boog omheen loopt, iemand waar je moeite voor moet doen om lief te hebben. Zie deze persoon nu eens door de bril van het dubbelgebod van de liefde en zie deze persoon als iemand waar God van houdt. Jij kunt misschien een hekel hebben aan die persoon, maar God heeft dat niet! Die persoon is immers óók door God geschapen en geliefd. Als je dus zegt dat je God liefhebt, dan heb je ook de mensen lief waar God van houdt. Dat is de uitdaging van Jezus! De eerste lezing uit Exodus draait er geen doekjes om: je moet een vreemdeling niet slecht behandelen, want je bent zelf ook een vreemdeling geweest (Ex. 22, 20). Met andere woorden: we zijn allemaal zoekend naar de liefde van God. Waarom de ander dan minachten?

Zoals een mensenhart twee kamers heeft, zo heeft het liefdesgebod dat ook: God liefhebben en de naaste als jezelf. Het dubbelgebod van de liefde is het kloppend hart van de joodse Wet en daarmee van Christus, die de Wet vervuld heeft. Als één van de kamers van je hart niet goed werkt, ga je naar de cardioloog. Wat doe je als één van de geboden van het dubbelgebod niet werkt? Laten wij liefhebben wat God liefheeft, uit liefde voor Hem die ons schiep en ieder van ons onverdeeld liefheeft. Door Christus, onze Heer. Amen.

Diaken Franck Baggen

Preek 1e zondag v.d. advent (jaar B). Jes. 63, 16-19. Wederzijds verlangen.
29 november 2020
Preek hoogfeest Christus Koning. Mat. 25, 31-46. Een inclusief koningschap.
22 november 2020
Preek 33e zondag in jaar A: Mat. 25, 14-30. De Wet van de Gave.
15 november 2020
Preek 32e zondag in jaar A: Mat. 25, 1-13. Het einde van je tijd.
8 november 2020
Preek hoogfeest Allerheiligen. Mat. 5, 1-12. Geroepen tot heiligheid.
1 november 2020
Preek 29e zondag in jaar A. Mat. 22, 15-21. Geef God wat God toekomt.
18 oktober 2020
laad meer artikelen artikelen aan het laden geen nieuwe artikelen