In een drukke ruimte kan het plotseling gebeuren. Door alle rumoer, stemmen en geluiden heen, hoor je plotseling je naam. Je hebt misschien niet alles verstaan, maar je richt je op en bent alert. Je voelt je aangesproken. Zo gaat het ook in ons gelovig leven. Er gebeurt van alles, het leven raast door en dan klinkt er opeens iets dat je raakt. Een woord uit de Bijbel, een ontmoeting of de zon die net mooi schijnt. Alsof Jezus je naam noemt. Je weet je aangesproken. Aangesproken worden is één ding. De vraag is wat je daarna doet. Jezus roept ieder van ons. Stuk voor stuk. Het is de uitnodiging om ons tot Hem te richten en naast Hem te gaan staan.
In het Evangelie trekt Jezus er vandaag met drie leerlingen op uit. Ze gaan de berg op. Dit is in de Bijbel een plaats om je terug te trekken, maar ook een plek van openbaring. Op bergen gebeuren bijzondere dingen; God laat zich zien aan Elia en Mozes ontvangt er de Tien Geboden. Wanneer iemand in de Bijbel een berg beklimt staat er iets te gebeuren en moet je opletten. Dat geldt zeker voor vandaag, want Jezus, samen met Petrus, Jakobus en Johannes, trekken zich even terug. Misschien is het wel een kleine retraite voor hen. Ze laten de dagelijkse sleur even achter zich en maken ruimte voor God. Dan gebeurt het onvoorstelbare: Jezus laat zich zien als de verheerlijkte Christus.
Waar Hij enkele dagen voor de bergbeklimming spreekt over het lijden dat Hij zal ondergaan, toont Hij nu dat dat het einde niet zal zijn. Er verschijnen twee Oudtestamentische figuren: Mozes en Elia. Zij staan symbool voor de Wet en de Profeten; de hele joodse Bijbel. Alles komt daar samen. Dit wil Petrus vasthouden. Hij stelt voor om tenten op te zetten, want Hij regelt het wel. In onze Bijbelvertaling staat: “Petrus van zijn kant zei tegen Jezus…” Hij neemt positie in. Dit zouden we ook kunnen lezen als Petrus die op dat moment niet naast de Heer staat, maar zijn eigen plan trekt. Dit doet hij natuurlijk niet met slechte bedoelingen. Soms willen we voor de muziek uitlopen, want wij weten zelf wel wat goed voor ons is.
Als leerlingen van Jezus mogen wij een andere houding aannemen. Wij hoeven niet zelf de regie te voeren. Door naast Jezus te blijven staan, kan de openbaring zich ontvouwen. Het komt aan op vertrouwen. Dat zien we bij Abraham in de eerste lezing (Gen. 12, 1-4). Hij komt letterlijk in beweging. Hij laat zijn zekerheden achter zich. Hij weet zich geroepen en lijkt zo een sterk voorbeeld te zijn. Tegelijkertijd is zijn geloof niet in steen gebeiteld. Wanneer hem wordt gezegd dat Sara een zoon zal krijgen, reageert hij met ongeloof. Het vertrouwen dat hem eerder in beweging zette, lijkt even ver te zoeken. Ook Abraham en Sara pakken dan de regie over en gaan zelf op zoek naar een oplossing. Alsof de belofte versneld moet worden. Terwijl we God aan het stuur mogen laten. Hij kent de weg en wijst ons een route aan die beter is dan we zelf kunnen bedenken. We moeten niet tegenover Hem maar juist naast Hem blijven staan. Een openbaring of roepingservaring in het verleden biedt geen garanties voor de toekomst. Elke dag opnieuw moeten we ons ertoe verhouden. Ook als je het even niet begrijpt of niet meer voelt.
Geloof vraagt dat wij mensen uit één stuk zijn. Dat wat wij op zondag belijden, moet doorklinken in de keuzes van maandag en de rest van de weg. In onze relaties, in vriendschappen en op het werk. Ook in de voornemens die we maken in deze Veertigdagentijd en straks in het stemhokje. De roepstem van de Heer klinkt altijd. We zijn geen christenen voor even, maar voor ons hele leven. Dat houdt een liefdevolle belofte vanuit God in en ook een opdracht aan ons. Daartoe mogen we steeds de vraag aan Hem stellen: “Wat vraagt U nu van mij?”. Hier, in deze specifieke situatie, en vaak juist daar waar het leven schuurt en twijfels de overhand nemen. Daar wordt trouw concreet. Dat gebeurt niet vanzelf. Het vraagt een bewuste keuze. Telkens weer.
Het vraagt van ons aandacht voor de openbaring die Jezus ons laat zien. Daarvoor hoeven we geen bergen te beklimmen, tenminste niet letterlijk. Maar het vraagt wel dat wij bewust ruimte maken voor God en ons af en toe terugtrekken. Dat kunnen we doen door te bidden, door te lezen in de Schrift en door om te zien naar de mensen om ons heen. Dat raakt aan de drie oefeningen van de veertigdagentijd: bidden, vasten en aalmoezen geven. Het zijn geen losse praktijken, maar concrete manieren om ruimte te scheppen voor God.
Door te vasten ontzeggen we ons iets wat ons afleidt van God. Dat kan voedsel zijn, maar ook schermtijd, gemak of gewoontes die ons opslokken. We maken ruimte door los te laten. Vasten kan ook positief worden ingevuld. Het is niet alleen minderen, maar ook bewuster leven. Zorg dragen voor wat ons is toevertrouwd. Vasten is geen krampachtig moeten, maar een kans om scherper te zien wat ons werkelijk dichter bij God brengt. Bij aalmoezen denken we snel aan de collecte voor de Vastenactie. Maar het gaat breder dan geld. Het gaat om aandacht. Om tijd. Om werkelijk zien wie er naast je staat. Door oog te hebben voor mensen die dat nodig hebben, wordt Gods liefde tastbaar in ons handelen. Het gebed vullen we vaak praktisch in: iets meer tijd maken. Maar gebed is geen scorebord waarop we onze minuten bijhouden. Het verdiept onze relatie met de Heer. We kunnen leren bidden met de Bijbel. Niet door een tekst vluchtig te lezen, maar door werkelijk in gesprek te gaan. Door vragen te stellen. Door stil te worden. En dan niet op zoek naar snelle geruststelling in een mooie zin, maar bereid om de spanning toe te laten. Ook dat wat ons corrigeert. Ook dat wat ons uitdaagt. Zo leren we naast Jezus te blijven staan en ontdekken we dat Hij ons voorgaat en de weg wijst. Amen.
Pastor Sander Verschuur