Als wij samen ergens heen gaan, wil ik u adviseren om niet achter mij aan te lopen. Ik verdwaal namelijk nog op het kerkplein. Onderweg is het verschil tussen links en rechts opeens ingewikkeld. Een ding weet u zeker; als ik de weg moet wijzen, komen we zeker een kwartiertje te laat aan. In een groep zie je mij dus niet snel voorop lopen. In die zin ken ik mijn plaats. Dat is niet uit valse bescheidenheid, maar uit zelfkennis. We moeten ons bewust zijn van welke rollen we hebben en daarin weten waar wij staan. Dat geeft duidelijkheid en structuur. Het klinkt vanzelfsprekend, maar de realiteit is een andere. Als een groep in beweging komt, zijn er vaak vele wegwijzers, met alle verwarring van dien. Hoe heerlijk is het om dan ook gewoon volgeling te kunnen zijn en er achterna lopen. Niet uit gemakzucht of slaafse volgzaamheid, maar omdat we onze plek kennen.
In ons geloof past dezelfde houding. We willen leerlingen van Jezus zijn. Dat maakt dat we mogen volgen. Weer een logische opmerking, maar ook hier geldt: makkelijker gezegd, dan gedaan. Graag hebben we toch de controle in eigen handen. Het is wel leuk om gelovig te zijn, maar wel onder mijn voorwaarden. Eerst bepaal ik zelf of God wel in mijn leven past. We lopen dan liever voor de muziek uit, terwijl het Evangelie ons iets anders voorhoudt. We mogen Jezus volgen. Hij wijst ons de route, want Hij is de Ware Weg die ons naar het Leven leidt.
In het evangelie vandaag ontmoeten we Jezus wanneer Hij zich terugtrekt. Het is een keerpunt. Johannes de Doper is gevangen genomen. De weg van Johannes, de oproep tot bekering, loopt uit op gevangenschap. Jezus slaat een andere route in. Hij wijkt uit naar Galilea. Het is een bewuste keuze om zijn openbare optreden niet te beginnen in het centrum van de religieuze macht, maar in de buitengebieden. Galilea, het land van Zebulon en Naftali, is half joods, half heidens. Matteüs verbindt dit direct met Jesaja, zoals we hoorden in de eerste lezing: het volk dat in duisternis leeft ziet een groot licht. In deze context vindt de roeping van de eerste leerlingen plaats. Dit doet Hij niet op een stabiel of succesvol moment. Ze sluiten niet aan in de polonaise. Er is sprake van dreiging, opbouwende spanning. Wil je Jezus volgen, dan ga je niet per se de gemakkelijkste weg. In de oudere vertaling hoorden wij Jezus op deze plaats tegen de leerlingen zeggen: “Kom, volg Mij”. In de nieuwe variant, die we sinds kort gebruiken, staat het strakker vertaald: “Komt achter Mij aan”. Er zit beweging in. Als leerling mag je de Leraar volgen, we mogen ons laten leiden.
Dat betekent dat we onze plek kennen. Jezus volgen is geen zwaktebod, het geeft juist helderheid. Niet wij hoeven de weg te bedenken. Als leerling mogen we achter Hem aan gaan. Zodra wij vooruitsnellen en zelf richting willen bepalen, raken we het zicht kwijt. We rekenen dan op onze eigen kracht, terwijl wij ons vertrouwen mogen stellen in de Heer. Dat moeten we steeds in gedachten houden. Jezus houdt ons soms iets voor wat vragen oproept. We weten bijvoorbeeld hoe Petrus reageert als Jezus een tipje van de sluier oplicht en vertelt wat Hem te wachten staat. Petrus staat versteld als Jezus hem voorhoudt dat Hij de Lijdende Dienaar is, zal sterven en weer op zal staan uit de dood. Daar kan Petrus niets mee, want dat kan toch niet waar zijn. De leerling vergeet even zijn plaats en wil de Leraar corrigeren. Jezus reageert in niet mis te verstane woorden! Hij zegt weer: Achter Mij! (cf. Mat. 16, 23). Jezus gebruikt hier precies hetzelfde woord als dat wij vandaag in het Evangelie horen. Als leerling mogen wij volgen, ook al begrijpen we het totale plaatje nog niet. Daar wil Hij ons steeds aan herinneren. We moeten simpelweg onze plek kennen. In de tweede lezing zien we hoe ingewikkeld het is en misverstanden op de loer liggen. Onder de eerste christenen ontstaat er gedoe over wiens leerlingen zij zijn; de een is volgeling van Paulus, de ander van Petrus. We moeten onze blik op Jezus houden. Hij is mens geworden voor ons, gestorven én verrezen. Hij is de Persoon die wij moeten volgen. De leerlingen moeten niet voorop willen lopen, we mogen de Leraar volgen.
Graag zouden we soms zelf aan het stuur zitten en eigen keuzes maken. Zo creëren we een geloof dat bij ons leven past. Dit nemen we dan wel en dat laten we achterwege. Een soort keuzemenu. Aan te passen aan de eigen omstandigheden en er zijn altijd extra frietjes te bestellen. Dat is niet de houding van een leerling. Als wij Jezus willen volgen, kunnen we niet alles vastleggen en dat schuurt soms. Juist dan worden we uitgenodigd om onze blik op Jezus te richten en daarin stand te houden. Niet op ons eigen gelijk, niet op wat wij denken dat de beste route is, maar op Hem. Zoals Jesaja het verwoordt: Er gaat een licht op. Geen fel schijnsel dat alles in één keer oplost, maar genoeg licht om verder te gaan. Dat vraagt iets van onze houding. Willen we werkelijk leerling zijn en ons openstellen voor Jezus? Ook wanneer Hij ons een weg wijst die we niet meteen begrijpen. Durven we ons laten leiden, in plaats van alles zelf vast te leggen? Dat betekent ook dat we onze plek kennen en ons achter Jezus aansluiten. Zelfs wanneer we denken de weg al te kennen, worden we uitgenodigd om ons opnieuw op de Heer te richten. Niet voorop, niet ernaast, maar achter Hem. Als we merken dat we toch te snel zijn gegaan, voorop gaan, dan is er ruimte om een stap terug te doen. We mogen altijd opnieuw beginnen. Steeds weer klinkt diezelfde uitnodiging van Jezus om Hem te volgen. Het enige wat gevraagd wordt, is dat we in beweging komen. Amen.
Pastor Sander Verschuur