Toen mijn neefje vroeger kwam logeren, kreeg hij een soort wekkertje mee. Het was een aapje met de ogen gesloten. Zodra de ogen van het beestje open gingen, mocht hij iedereen wakker maken. Geduld was niet zijn sterkste kant, want van verre hoorde je hem al zuchten: doe je ogen nou open. Hij kon niet wachten tot de nieuwe dag begon. Intussen is hij zeventien en zal het zo niet meer gaan, maar die vreugde en dat verlangen om aan de dag te beginnen gun ik ons allemaal. Als christenen mogen we mensen zijn die de slaap uit hun ogen wrijven en alert zijn op wat de dag ons brengt. Tegelijk is afwachten en geduld oefenen een kostbare deugd. Juist in de Advent kunnen we daarin oefenen. Het is makkelijk om deze tijd over te slaan. Er is genoeg dat om onze aandacht vraagt. Kerstkaarten moeten op de bus, bomen worden opgetuigd en de stal krijgt zijn plek. Voor je het weet sta je midden in de kerstdrukte en is de tijd van afwachten verdwenen. Toch geeft de Advent ons juist die ruimte. We mogen leren wachten met een open hart.
Hierbij moeten we niet steeds op de klok kijken om te bezien of de Heer al terugkomt. De woorden uit het Evangelie komen uit de laatste toespraak van Jezus. Hij is met zijn vrienden op de Olijfberg en spreekt over het einde van de tijd en de komst van de Mensenzoon. De leerlingen willen weten hoe zij zullen herkennen wanneer het zover is. Jezus waarschuwt hen dat zij zich niet moeten laten meeslepen door mensen die alles zeker menen te weten. Berichten over oorlog of onrust hoeven hen niet te verlammen. Dat zijn slechts de eerste barsten in een groter geheel. Wat telt is volhouden. Alleen de Vader weet wanneer de voltooiing komt. In de tekst die we lazen klinkt die spanning door. Jezus verwijst naar de tijd van Noach. Noach zag namelijk de ramp aankomen en begon de ark te bouwen. De mensen om hem heen haalden hun schouders op en leefden verder. Ze aten, vierden feest en trouwden alsof er niets aan de hand was. Ze hoorden de waarschuwing, maar deden er niets mee. Jezus toont hoe makkelijk we overgaan tot de orde van de dag en geen oog hebben voor wat er om ons heen gebeurt.
Door waakzaam en geduldig te leven, maken we ruimte om te zien wat anders aan ons voorbij zou gaan. Dan wordt wachten geen leegte maar de plek waar God iets nieuws kan beginnen.
Paulus herinnert ons in de tweede lezing eraan dat wij mensen van het licht mogen zijn. De nacht loopt ten einde en de dag breekt aan. Juist dat moment vraagt dat we echt wakker zijn. In het donker lijkt veel nog zwaar of onmogelijk, maar zodra het licht doorbreekt blijkt dat we opnieuw mogen beginnen. Elke dag brengt een kans om het goede te zoeken en ruimte te maken voor Christus die komt. Daarom bereiden we ons in de Advent voor op de drievoudige komst van Christus. Hij kwam toen in Bethlehem, Hij zal komen wanneer alles voltooid wordt en Hij komt nu, steeds opnieuw, in ieder hart dat Hem ontvangt, in de sacramenten en in momenten van genade. Naar deze komst mogen we blijven uitzien. Dat uitzien raakt ook aan de manier waarop wij tijd beleven. Advent is namelijk meer dan een eenvoudige periode in het jaar. De Bijbel kent twee woorden voor tijd die daarbij helpen: chronos en kairos.Â
Chronos is de gewone tijd. De tijd die doortikt. Dagen, weken, uren. De tijd waarin wij leven, plannen maken en onze agenda vullen. Kairos is anders. Het is gevulde tijd. Niet te meten, maar wel te herkennen aan de momenten waarin iets van Gods nabijheid doorbreekt. Het zijn de ogenblikken waarin je merkt dat er ruimte ontstaat, dat iets klopt, dat genade je raakt. Je kunt het niet plannen of afdwingen, en toch weet je wanneer het gebeurt. De Advent speelt zich af in chronos, vier weken met een duidelijk begin en einde. Maar juist deze weken worden door kairos geraakt. Verleden, heden en toekomst van Christus komen samen. Hij kwam, Hij komt en Hij zal komen. Zo leren wij om met open ogen te leven en in het gewone van elke dag iets te herkennen van Gods tijd.
Toch zien we dit gemakkelijk over het hoofd. We leven in chronos, de gewone tijd, en dan is het niet zo vreemd dat we kairos missen. Het leven gaat door, de dagen gaan voorbij. Dat Christus komt lijkt dan iets van ver weg, iets dat weinig met onze dag te maken heeft. Het roept de vraag op wat wij er vandaag mee kunnen. Simpelweg: oefenen. We mogen uitzien naar Christus en daartoe moeten we onze ogen openen.
Daarvoor moeten we leren kijken met open ogen. Jezus nodigt ons uit om aandacht te hebben voor lichtpunten, voor de plaatsen waar God zich laat zien. Soms zijn dat grote dingen, maar meestal zijn het kleine tekenen. Een gesprek dat je goed deed. Iemand die onverwacht vriendelijk was. Een moment van rust midden in een drukke dag. Een woord dat je raakte. Juist in deze weken is dat een goede oefening. Dat kan door aan het einde van de dag even stilte te zoeken. Daarbij kun je jezelf de vraag stellen waar je vandaag iets van God hebt ontmoet. Soms komt er meteen iets boven, soms blijft het stil. Maar wie dit regelmatig doet, merkt dat het zicht verandert. Dat er ruimte ontstaat. Dat er elke dag wel iets gloort van zijn liefdevolle aanwezigheid. In zulke eenvoudige momenten mogen we Christus herkennen. Zoals mijn neefje vol verwachting naar dat aapje keek, zo mogen wij met dezelfde vreugde uitzien naar Christus’ wederkomst, toen nu en straks. Amen.
Pastor Sander Verschuur